Ga naar hoofdinhoud

Jeremia 41 Uitleg - Ismaëls Verraad en Moord op Gedalja

Jeremia 41 beschrijft hoe Ismaël verradelijk gouverneur Gedalja en vele anderen vermoordt, wat leidt tot chaos en de voorbereidingen van het overgebleven volk om naar Egypte te vluchten uit vrees voor Babylonische wraak.

Inleiding tot Jeremia 41

Jeremia 41 vertelt een van de donkerste verhalen uit de periode na de val van Jeruzalem. Het hoofdstuk beschrijft hoe Ismaël, zoon van Netanja, op verradelijke wijze gouverneur Gedalja vermoordt, samen met veel anderen. Dit dramatische verhaal toont de chaos en instabiliteit die volgde op de Babylonische verovering van Juda.

De Moord op Gedalja (verzen 1-3)

Het hoofdstuk begint met een schijnbaar vreedzame maaltijd. Ismaël, een lid van het koninklijke huis, komt met tien mannen naar Gedalja in Mizpa. Gedalja, die door de Babyloniërs was aangesteld als gouverneur over het overgebleven volk, ontvangt hen gastvrij. Tijdens het eten slaat het verraad toe: Ismaël en zijn mannen doden Gedalja, de Judeeërs die bij hem waren, en de Babylonische soldaten die daar gelegerd waren.

Deze daad was niet alleen een persoonlijke wraak, maar had ook politieke motieven. Ismaël behoorde tot de koninklijke familie en zag Gedalja mogelijk als een verrader die samenwerkte met de Babylonische overheersers.

Verdere Moorden en Bedrog (verzen 4-9)

De volgende dag komen tachtig mannen uit Sichem, Silo en Samaria naar Mizpa. Zij komen om offers te brengen in de tempel, onwetend van wat er is gebeurd. Ismaël gaat hen huilend tegemoet en lokt hen de stad in met de woorden: "Komt tot Gedalja." Eenmaal binnen vermoordt hij de meesten van hen en gooit hun lichamen in een grote put.

Lees Jeremia 41 in de Bijbel

Lees de volledige tekst in de Statenvertaling, Herziene Statenvertaling, NBV21 of andere vertalingen.

Open Jeremia 41

Verdiep u in Jeremia 41

Meer weten over Jeremia 41?

Stel uw vragen aan de BijbelAssistent en krijg uitgebreide antwoorden met verwijzingen naar de grondtalen en commentaren.

Stel een vraag over Jeremia 41