Zondag 40: Zesde gebod
Schriftbewijzen: Exodus 20:13, Mattheus 5:21-22
Vraag 105: Wat gebiedt God in het zesde gebod?
Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen, onteer, haat, kwets of dood; maar dat ik alle wraakgierigheid afleg; ook mijzelf niet kwets, of moedwillig in enig gevaar begeve. Waarom ook de overheid het zwaard draagt, om den doodslag te weren.
Schriftbewijzen: Mattheus 5:21-22, Spreuken 12:18, Mattheus 26:52, Genesis 9:6, Mattheus 5:39-40, Efeze 4:26, Romeinen 12:19, Mattheus 4:7, Kolossenzen 2:23, Genesis 9:6, Exodus 21:14, Mattheus 26:52, Romeinen 13:4
Vraag 106: Maar spreekt dit gebod alleen van het doden?
God door het verbieden des doodslagen ons leert, dat Hij den wortel van de doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat, en dat zulks alles voor Hem een heimelijke doodslag is.
Schriftbewijzen: Spreuken 14:30, Romeinen 1:29, 1 Johannes 2:9, 1 Johannes 2:11, Jakobus 1:20, Galaten 5:19-21, 1 Johannes 3:15
Vraag 107: Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, gelijk gezegd is, niet doden?
Neen; want dewijl God nijd, haat en toorn verbiedt, zo gebiedt Hij, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onzen vijanden goeddoen.
Schriftbewijzen: Mattheus 7:12, Mattheus 22:39, Efeze 4:2, Galaten 6:1-2, Mattheus 5:5, Romeinen 12:18, Lukas 6:36, Kolossenzen 3:12, Romeinen 12:10, Exodus 23:5, Mattheus 5:44-45, Romeinen 12:20-21