Ga naar hoofdinhoud

Wat zegt de Bijbel over tienden?

Het geven van tienden en giften is een bijbels principe van rentmeesterschap. De Bijbel leert dat vrijgevigheid gezegend wordt.

Het bijbelse antwoord op de vraag over tienden

Het geven van tienden en offergaven is een bijbels principe dat zijn diepste wortels heeft in de erkenning dat God de eigenaar en de gever is van alle dingen en dat de mens slechts rentmeester is van wat hij van God heeft ontvangen. Het Nederlandse woord "tiende" verwijst naar een tiende deel (tien procent) van het inkomen, de opbrengst of de bezittingen dat aan God wordt gegeven als erkenning van Zijn eigenaarschap en als ondersteuning van Zijn dienst en Zijn dienaren. De historische wortels van het tiendenprincipe gaan ver terug: Abraham gaf vrijwillig tienden aan Melchizedek, de priesterkoning van Salem, lang vóór de instelling van de Mozaïsche wet — een feit dat de Hebreeënbrief aanhaalt om de superioriteit van het priesterschap van Christus naar de ordening van Melchizedek aan te tonen. Jakob beloofde God een tiende van alles wat God hem zou geven. Onder de wet van Mozes werd de tiende formeel en wettelijk ingesteld als een systeem van drie tienden: de Levitische tiende ter ondersteuning van de Levieten en de tempeldienst (Numeri 18), de feesttiende voor de pelgrimsfeesten (Deuteronomium 14:22-27), en de armenintiende voor de zorg voor armen, weduwen, wezen en vreemdelingen (Deuteronomium 14:28-29). De profeet Maleachi klaagt het volk in de sterkst mogelijke bewoordingen aan omdat zij God beroven door de tienden en de hefoffers achter te houden, en roept op: "Breng al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis, en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels en zegen over u uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zijn" (Maleachi 3:10). In het Nieuwe Testament verschuift de nadruk van een exact, wettisch percentage naar de gezindheid en vrijgevigheid van het hart als drijfveer van het geven. Paulus leert dat ieder op de eerste dag van de week iets moet opleggen naar dat God hem voorspoedig gemaakt heeft, en dat ieder moet geven "naardat hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met droefheid of uit nooddwang, want God heeft een blijmoedige gever lief" (2 Korintiërs 9:7). Het onderliggende principe blijft onveranderd: wie vrijgevig is naar God en de naaste, geeft niet uit eigen overvloed maar geeft terug wat God eerst gegeven heeft, en zal zelf rijk worden gezegend.

Het principe van rentmeesterschap

Achter het geven van tienden en offergaven ligt het fundamentele bijbelse principe van rentmeesterschap dat het hele christelijke denken over geld, bezit en materiële zaken behoort te bepalen: alles behoort God toe, en wij zijn beheerders — niet eigenaars — van wat Hij ons in bruikleen toevertrouwt. "Des HEEREN is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarin wonen" (Psalm 24:1). Wanneer wij geven aan Gods koninkrijk, geven wij niet iets van onszelf weg maar geven wij terug wat God ons eerst uit genade gegeven heeft. David bad bij de inzameling voor de tempelbouw deze ontroerende woorden: "Want het is alles van U, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven" (1 Kronieken 29:14). Dit perspectief van rentmeesterschap bevrijdt van de krampachtige greep op geld en bezit die de mammon op het menselijke hart kan hebben, opent het hart voor vrijgevigheid en generositeit, en plaatst alle financiële beslissingen in het licht van de vraag: hoe kan ik Gods gaven het beste beheren tot Zijn eer?

Vrijgevigheid in het Nieuwe Testament

Jezus leerde uitgebreid en indringend over geld, bezit en vrijgevigheid — meer dan over welk ander ethisch onderwerp ook, wat de grote geestelijke betekenis van dit thema onderstreept. Hij prees de arme weduwe die haar laatste twee kleine muntjes in de offerkist wierp — meer dan alle rijken bij elkaar, want zij gaf niet van haar overvloed maar van haar armoede, alles wat zij had om van te leven. Paulus roemt de gemeenten in Macedonië die "uit de diepte van hun armoede en te midden van grote verdrukking overvloedig waren in de rijkdom van hun milddadigheid" — hun vrijgevigheid overtrof de verwachtingen omdat zij zichzelf eerst aan de Heere hadden gegeven. De eerste gemeente in Jeruzalem deelde alles met elkaar zodat niemand onder hen gebrek had — niet als opgelegd communisme maar als spontane uitvloeiing van de liefde van Christus en de kracht van de Heilige Geest. Het Nieuwe Testament kent geen vastgesteld, wettisch percentage maar roept op tot radicale, vreugdevolle vrijgevigheid als vrucht van genade en als weerspiegeling van Gods eigen vrijgevigheid in Christus.

Tienden in de gereformeerde traditie

De gereformeerde traditie neemt een genuanceerde positie in over de vraag of de oudtestamentische tiendenregeling als zodanig bindend is voor nieuwtestamentische christenen. Calvijn onderscheidde tussen de ceremoniële wet (afgeschaft in Christus) en de morele wet (blijvend geldig) en plaatste de tienden in een tussencategorie: het exact percentage van tien procent is niet meer wettisch bindend, maar het onderliggende morele en geestelijke principe — dat God de eerste en de beste vruchten van ons inkomen toekomt — blijft onverminderd geldig. Veel gereformeerde theologen adviseren de tiende als een bruikbare, bijbelse richtlijn en een nuttig minimum, maar benadrukken dat het Nieuwe Testament oproept tot een vrijgevigheid die de tiende kan overstijgen. De Heidelbergse Catechismus behandelt in Zondag 42 (het achtste gebod) het rentmeesterschap: Gods wil is dat ik het welzijn van mijn naaste bevorder en hem behandel zoals ik zelf behandeld wil worden. De Westminster Larger Catechismus noemt het een plicht om "vrijwillig bij te dragen aan de verdiensten en noden van anderen, en speciaal aan het onderhoud van de openbare eredienst."

De zegen van het geven

De Bijbel verbindt vrijgevigheid consequent en herhaaldelijk met goddelijke zegen, zonder dat dit een welvaartsevangelie wordt dat geeft om te ontvangen. Jezus belooft: "Geeft en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven, want met dezelfde maat waarmee gij meet, zal u wedergemeten worden" (Lukas 6:38). Paulus schrijft: "Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien, en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien" (2 Korintiërs 9:6). Spreuken leert: "Er is een die uitstrooit en nog meer krijgt, en een die meer inhoudt dan recht is, en het is tot gebrek" (11:24). De zegen die God belooft aan de vrijgevige is niet uitsluitend materieel maar omvat ook geestelijke rijkdom, diepe voldoening, innerlijke vrede en de vreugde van het geven zelf. Het punt is niet dat geven een investeringsstrategie is maar dat God een vrijgevig hart eert omdat het Zijn eigen karakter weerspiegelt — God is de ultieme Gever die Zijn eniggeboren Zoon gaf uit liefde voor de wereld.

Bijbelverzen over tienden

Maleachi 3:10

Breng al de tienden in het schathuis, en beproeft Mij daarin.

God daagt door de profeet Maleachi Zijn volk uit om Hem op de proef te stellen door trouw de tienden te brengen in het schathuis van de tempel, met de overweldigende belofte dat Hij de vensters des hemels zal openen en een zegen zal uitgieten die zo overvloedig is dat er niet genoeg ruimte is om haar te ontvangen. Dit is de enige plaats in de hele Bijbel waar God de mens expliciet en met zoveel woorden uitnodigt om Hem op de proef te stellen — normaal gesproken is het beproeven van God verboden. De uitnodiging toont Gods vertrouwen in Zijn eigen trouw en vrijgevigheid: Hij weet dat wie Hem gehoorzaamt in het geven, nooit teleurgesteld zal worden. Het woord "beroven" (qaba) in vers 8 is buitengewoon sterk: wie de tienden achterhoudt, berooft God zelf.

2 Korinthe 9:7

Een iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorneemt, niet met droefheid of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedige gever lief.

Paulus leert in dit vers het fundamentele nieuwtestamentische principe van christelijk geven: "Een iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met droefheid of uit nooddwang, want God heeft een blijmoedige gever lief." God kijkt niet primair naar het bedrag maar naar het hart waarmee het wordt gegeven. Het Griekse hilaron (blijmoedig, vrolijk) — waarvan ons woord "hilarisch" komt — wijst op een vreugdevol, enthousiast geven dat niet terughoudt maar royaal geeft. De drie negatieve kwalificaties — niet onder dwang, niet met tegenzin, niet uit noodgedwongenheid — beschermen het geven tegen elke vorm van manipulatie, schuldgevoel of sociale pressie. Een blijmoedige gever weerspiegelt Gods eigen karakter, want God gaf Zijn Zoon niet met tegenzin maar uit liefde.

Spreuken 3:9

Vereer de HEERE van uw goed en van de eerstelingen al uwer inkomsten.

De wijsheid leert om God te eren met de eerstelingen van al uw inkomsten — niet met wat overblijft nadat alle andere uitgaven zijn gedaan, maar met het eerste en het beste deel. Het woord "eerstelingen" (reshit) duidt op het eerste en beste deel van de oogst dat in de tempel aan God werd aangeboden als erkenning dat de hele oogst van Hem kwam. Dit principe van prioriteit plaatst God bewust en principieel boven alle andere financiële verplichtingen, behoeften en wensen. Het vers belooft dat Gods schuren overvloedig gevuld zullen worden en de wijnperskuipen zullen overlopen — een belofte van goddelijke voorzienigheid die de vrijgevige gever niet beschaamd zal laten staan.

Lukas 6:38

Geeft, en u zal gegeven worden.

Jezus belooft in dit vers dat vrijgevigheid beantwoord wordt met goddelijke vrijgevigheid: "Geeft en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven." De vier bijvoeglijke naamwoorden — goed, neergedrukt, geschud, overlopend — schilderen het beeld van een graanmaat die tot de allerlaatste millimeter is gevuld en overloopt van Gods zegen. De maat waarmee wij meten (royaal of zuinig), zal ons worden teruggemeten. Het gaat hier niet om een welvaartsevangelie dat geeft om te ontvangen, maar om een betrouwbaar geestelijk principe dat laat zien dat Gods economie anders werkt dan de menselijke: wie geeft, ontvangt meer dan hij gaf, en wie vasthoudt, verliest uiteindelijk wat hij dacht te bezitten.

Praktische toepassing

Overweeg serieus en biddend om een vast percentage van uw inkomen te bestemmen voor Gods koninkrijk — de oudtestamentische tiende (tien procent) kan daarbij als bijbelse richtlijn en nuttig uitgangspunt dienen, maar niet als wettisch voorschrift dat schuldgevoel genereert wanneer u er niet aan voldoet of zelftevredenheid wanneer u het wel haalt. Geef met een blij, dankbaar en vrijwillig hart, niet uit verplichting, schuldgevoel of sociale druk, want God heeft een blijmoedige gever lief. Ondersteun allereerst uw plaatselijke gemeente als de gemeenschap waarin u geestelijk wordt gevoed, maar geef ook royaal aan zending, diaconie, christelijk onderwijs en noodhulp. Leer uw kinderen van jongs af aan om te delen en te geven als weerspiegeling van Gods vrijgevigheid. Vertrouw erop dat God voorziet wanneer u vrijgevig bent — niet als automatisme maar als betrouwbaar geestelijk principe. Budget uw gaven net zo zorgvuldig als uw andere uitgaven en maak geven tot een bewuste, eerste prioriteit in uw financiële planning.

Verdiep u verder

Stel uw eigen vraag over tienden

Wilt u meer weten over wat de Bijbel zegt over tienden? Stel uw vraag aan de BijbelAssistent en ontvang direct antwoord met bijbelverwijzingen.

Stel een vraag

Bekijk ook dit onderwerp in onze bijbel onderwerpen

Lees meer over tienden in ons uitgebreide overzicht van bijbelse onderwerpen.