Psalmen 57

Psalmen 57

Samenvatting

Psalm 57 beschrijft Davids ervaring toen hij vluchtte voor Saul en zich verborg in een grot. De psalm begint met een dringende smeekbede om bescherming, maar groeit uit tot een krachtige lofprijzing van Gods liefde en trouw. David toont hoe persoonlijke nood kan leiden tot universele lofprijzing van God.

Lees de volledige uitleg →
SV
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.
2Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
3Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.
4Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
7Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.
8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
10Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.